Spindotters in de Rhoonse Grienden

Klik op foto voor vergroting



De Rhoonse Grienden liggen er weer geel gekleurd bij. Langs de kreekjes, slootjes en tussen de duizenden knotwilgen in dit getijdegebied groeien volop Spindotterbloemen (Caltha  palustris subsp. araneosa). Spindotters hebben zich aangepast aan de getijdewerking. De gewone dotterbloem vermeerdert zich door zaad. De zaden van de spindotter worden echter grotendeels weggespoeld door de eb- en vloedwerking van het water. Zij heeft zich aangepast doordat deze forsere plant geknikte stengels heeft waarbij in de oude bladoksels nieuwe blaadjes en wortels ontstaan.Wanneer de oude stengels verteren, blijven de jonge plantjes behouden en worden deze meegevoerd door het water. Zo kan ze zich op nieuwe plekken vestigen.

 

 


De Rhoonse Grienden is een complex van wilgenakkers in de buurt van Rotterdam en Barendrecht. De gegraven slootjes en greppels in het gebied lopen door de getijdewerking van de rivier dagelijks onder water. Dijkjes om de akkers heen zorgen ervoor dat het water met vloed de akkers kan bereiken, maar met eb een dun laagje voedselrijk slip achterlaat in het gebied, waardoor de wilgen snel kunnen groeien.

De wilgen in de Rhoonse Grienden worden elke 3 jaar gehakt. Het hout wat vrijkomt wordt onder andere gebruikt voor zinkstukken (matten waarover meestal basalt wordt gestort ter verdediging van oevers) en als voedsel voor olifanten.

 

De Vos – Vulpes vulpes

Het LOP werkt dagelijks op landgoederen en in natuurgebieden. In dit soort gebieden komt de vos geregeld voor. Meestal zijn er alleen aanwijzingen zichtbaar dat er een vos aanwezig is; er zijn dan uitwerpselen of prooiresten te vinden. Soms laat de vos zich echter ook zelf zien.

 

 

De vos (Vulpes vulpes) is één van de grootste roofdieren van West Europa en behoort tot de hondachtigen. Op IJsland na komt de vos in heel Europa voor. Ook is de vos in Azië, Noord Amerika en in Noord Afrika te vinden. In Australië is hij ingevoerd. Het leefgebied van een vos (territorium) kan zo’n 12 km2 groot zijn. Hierbinnen zoekt hij zijn voedsel (kleine zoogdieren, vogels, insecten en bessen) en brengt hij zijn jongen groot. Het territorium wordt met geursporen op duidelijk zichtbare en ruikbare plaatsen gemarkeerd. Dit gebeurt door urine en uitwerpselen maar ook de voetzolen laten op de grond een geurspoor achter.

 

 

Vossen zijn voornamelijk in de schemering en ’s nachts actief. Buiten de paartijd leeft de vos meestal alleen (solitair), maar binnen de paartijd en ten tijde van de jongen leven vossen meestal in een groepsverband van zo’n 6 dieren. Hierbij is er 1 dominant mannetje (rekel) en een dominant vrouwtje (moer). De rest zijn vrouwtjesvossen die niet dominant zijn. In het voorjaar worden 4 tot 6 jongen geboren.

 

 

Vossen graven zelf een hol (burcht) of vergraven een oud konijnenhol of dassenburcht. Deze bevindt zich vaak tussen wortels of onder een omgevallen boom en heeft zo’n 2 tot 4 ingangen.

 

Lenteklokjes in bloei

Onlangs ben ik terug geweest naar een landgoed in Dordrecht, waar we een aantal jaar geleden vele stinzenbolletjes hebben aangeplant. 1 van de bolgewassen was het lenteklokje; Leucojum vernum. Het was erg moeilijk om aan deze originele wilde soort te komen en de kweker liet ze dan ook overkomen uit het Oostblok. Er werd ons afgeraden om deze soort aan te planten, omdat het lenteklokje moeilijk aan zou slaan en moeizaam tot bloei zou komen. Ook mochten de bollen tijdens transport niet uitdrogen en moesten ze direct worden aangeplant. We hadden dan ook het aantal lenteklokjes naar beneden bijgesteld en in 2008 gingen er zo’n 2000 de grond in. De lenteklokjes zijn echter prima tot bloei gekomen en er waren ook vele kimeplantjes te zien. Nu maar hopen dat deze soort zich eeuwen op het landgoed thuisvoelt en kan handhaven.

 

 

Leucojum vernum

 

 

Lenteklokje – Leucojum vernum
Het lenteklokje, met haar witte kroonblaadjes en een groen puntje, laat al in februari haar eerste bloemen zien. Ze is moeilijk te kweken en stelt hoge eisen aan de grond. Ze geeft de voorkeur aan een voedselrijke, humeuze leem- of kleigrond. In Nederland werd ze voor het eerst in 1835 aangetroffen. Ze had waarschijnlijk 1 natuurlijke groeiplaats in Twente, maar ze is daar sinds 1916 niet meer aangetroffen. Wel komt ze op een aantal landgoederen in Nederland voor, als stinzenplant. Oorspronkelijk komt het lenteklokje uit berggebieden van Midden Europa.

 

 

In de ban van ijs


Klik op foto voor vergroting



Zo snel als de winter weer ten einde lijkt, zo snel was het ook begonnen. Vrijdag 3 februari raakte ik met de deelnemers van het LOP ondergesneeuwd en stapvoets op de snelweg blokkeerden we tijdelijk de doorgang omdat een motorrijder vlak voor ons onderuit ging en tijd nodig had om met veel geglibber en geglij zijn rijwiel overeind te krijgen. Zaterdags alweer vroeg uit de veren om de schaatsen onder te binden. Het was kraakhelder en steenkoud, maar was was de wereld in een schitterende deken van rijp gehuld. De sneeuw was wel een kleine domper voor de schaatspret, maar met vereende krachten hebben we sneeuw lopen schuiven om te kunnen ijshockeyen. Het ijs was gitzwart en spekglad; heerlijk! Ook konden weer eindelijk tochten door de polder geschaats worden. Heel Nederland was in de ban van het ijs en leefde in spanning mee met Friesland voor de tocht der tochten. Het ijs was voor de tocht niet dik genoeg, maar Friesland had er wel een mooi geveegd parcour bijgekregen. Zondag heb ik zelf nog de Nieuwkoopse Plassen aangedaan, een schitterend natuurgebied met slootjes, vaarten en meren omgeven met bossen en rietland. Heerlijk om in rond te dwalen.

 

 

LOP stuit op kerkuil

 Klik op foto’s voor vergroting


Het Landschap Onderhoud Project (LOP), een arbeidsproject van DAC Movens te Leiden, is werkzaam op diverse landgoederen en in natuurgebieden in Noord- en Zuid-Holland.

Een tijdje terug pauzeerde de deelnemers in een oude schuur, waar tientallen braakballen, witte uitwerpselen en enkele uilenveren lagen; hier zat een kerkuil! De eigenaar is op de hoogte gesteld met het advies rekening te houden tijdens eventuele renovatie en met het advies om een kerkuilenkast te plaatsen.

 

 

De kerkuil is een sierlijke vogel met lange vleugels en poten. Vooral haar hartvormige gezichtssluier is erg kenmerkend voor de soort. Door haar lichte verenkleed valt ze makkelijk op (als ‘spookgedaante’) als ze in de schemering of ’s nachts op jacht gaat naar muizen. Haar prooi lokaliseert ze op gehoor. Kerkuilen broeden in kerktorens, schuren en andere gebouwtjes. Het is een kwetsbare soort; door verdwijnen van kleinschalige landbouw, de grotere verkeersdruk en vooral door het verdwijnen van geschikte broedplaatsen waren er rond 1980 nog maar zo’n 100 paartjes kerkuilen in Nederland. Gelukkig gaat het alweer een stuk beter met de kerkuil. Vele werkgroepen en vrijwilligers hebben maatregelen getroffen, zoals het plaatsen van geschikte nestkasten. Er broeden dan ook weer 2000-3000 paartjes in Nederland.

 

 

Braakballen pluizen

 

Op slaapplaatsen en broedplaatsen van uilen zijn braakballen te vinden. Hierin zitten onverteerbare resten van hun prooidieren, zoals haren, schedels, veertjes en insectenschilden. Uilen produceren gemiddeld 1 tot 2 braakballen per dag. 

 

 

Tijdens een regenachtige dag heeft het LOP enkele braakballen uitgeplozen. Bij gebrek aan een pincet om de schedeltjes er voorzichtig uit te pulken, hebben we de braakballen voorzichtig gebroken en in een bakje met lauw water gelegd. Door flink te roeren, het water een aantal keer af te gieten en te verversen, hielden we enkele schedeltjes, onderkaken en botjes over. De werkgroep werd verdeeld in een notulist, een deelnemer die met behulp van het boek ‘Braakballen Pluizen’ de determinatietabel doornam en enkele deelnemers die met een loep en liniaal de kenmerken van de schedeltjes en kaken bekeken. Aan de hand van de grootte van de schedel, het aantal, de vorm en de stand van de kiezen en tanden en andere kenmerken wisten we wat het diner van de kerkuil de afgelopen dagen was geweest. De uil had zich vooral aan rosse woelmuizen en huismuizen tegoed gedaan, maar ook werden er schedeltjes en kaken van enkele veldmuizen en huisspitsmuizen gevonden.

 

 

Volksgeloof, gebruiken en magie

 

Er werd algemeen gedacht dat wanneer een uil zich ’s avonds liet horen, het de volgende ochtend goed weer zou zijn. Maar men dacht ook dat wanneer een uil dit deed bij het huis van een ziek persoon, deze binnen drie dagen zou komen te overlijden.

In Engeland werd lange tijd geloofd dat verbrande en verpulverde eieren het gezichtsvermogen verbeterde.

Vroeger ving men zangvogeltjes door een uil aan een touw op een tak te plaatsen en de overige takken in te smeren met vogellijm. Vogels kwamen dichterbij en probeerden de uil te verjagen en te irriteren en bleven zo vastkleven aan de lijm.

Uilen werden vroeger ook in verband gebracht met heksen. Heksen zaten op de rug van een uil om zich te verplaatsen. Soms werden uilen ook in brouwsels gebruikt. Doordat uilen geruisloos en spookachtig kunnen vliegen, hun ogen ineens kunnen laten knipperen en hun nek geheel rond kunnen draaien, waren mensen over de hele wereld bang voor uilen.

Ook was men bang voor een uil omdat,  wanneer zij ’s avonds laat werd gezien of tegen de ruiten op botste, iemand zou sterven of verongelukken. Hier zit een kern van waarheid in. Wanneer iedereen ’s nachts rustig lag te slapen, brandde er nog licht bij zieke personen, die maar niet in slaap konden komen. De verlichte ramen trokken volop nachtvlinders en andere insecten aan, waar een uil zich graag tegoed aan deed. Zo zag men dan een uil voor de ramen wieken en soms zelfs tegen de ramen opbotsen. De medische wetenschap was vroeger nog niet zo ver gevorderd, waardoor ernstig zieke personen snel kwamen te overlijden. Zover dacht men natuurlijk niet; de uil was het kwaad.

 

 

Even poetsen

 

Terwijl wij onze berenmuts nog eens verder over de oren trekken, staat deze flamingo zich nog heerlijk te poetsen.

 

Klik op foto voor vergroting

 

 

Wandelen langs kastelen rond Gors-Opleeuw

 

België

Niet ver van Maastricht ligt het Belgische dorpje  Gors-Opleeuw. Het is een oud, landelijk dorpje met 4 kastelen in de directe omgeving. Een 8 km lange wandelroute door het agrarische landschap neemt u mee langs deze imposante gebouwen. Wat vooral ook opvalt is dat deze kastelen niet aan een hoofdweg of aan het einde van een lange oprijlaan liggen, maar gewoon langs oude landweggetjes.

 

Klik op foto voor vergroting

Op de foto linksboven is het Bellevuekasteel uit 1764 te zien. Oorspronkelijk een jachtpaviljoen van kasteel Opleeuw.

 

Midden links is kasteel Haagsmeer uit 1890 te zien. Ook dit kasteel, gelegen in een klein parkje in Engelse landschapsstijl, was oorspronkelijk een jachtpaviljoen van kasteel Opleeuw.

 

De overige foto’s zijn afkomstig van het in 1874 verbouwde kasteel Opleeuw. Het voormelige kasteel was 3 maal groter.

 

Terug van niet weggeweest

Door problemen tijdens de migratie van het domein van Weblog.nl was Kingfisher weblog en duizenden andere blogs maanden onbereikbaar. In de tussentijd had ik een nieuwe blog gestart: Kingfisher’s Blog. Kingfisher Weblog is echter weer boven komen drijven en ondanks de vele kinderziektes van het nieuwe domein, waardoor de lay-out moeilijk aan te passen is, wil ik deze weblog toch een kans geven en nieuw leven inblazen.

Hierbij meteen een fotootje van een nieuwe huisgenoot met veel noten op zijn zang.

 

 

Vogels kijken Scheveningen

Noordelijke havenhoofd Scheveningen

Vanmorgen (31 okt 2011) tussen 9.00 en 9.45 weer vogels wezen kijken op het noordelijke havenhoofd. Het weer was zwaarbewolkt en de temperatuur onder de 18 graden.

Brandganzen:
15
Fuut: 3
Paarse strandloper: 4
Zwarte zeeëend: 4
Duikers spec.:
4
Roodkeelduiker juv.: 1
Alk/zeekoet: 2
IJseend (♀): 1

Raindrops

Meijendel

Daar waar de zon niet meer bij kon komen, droogden de regendruppeltjes in de spinnenwebben nauwelijks meer op.